Jeanine Laudy

LetterProfessor

INFO@JEANINELAUDY.NL

Interview door Stoere Vrouwen Sporten

stoere-vrouwen-sporten-foto-met-quoteHet peloton raast voorbij. Ze rijden snoeihard. Helemaal achteraan klampt een renster met moeite aan en staat op het punt te lossen. Het is Jeanine Laudy, schrijfster van Strijd in het Vrouwenpeloton, blogster voor onze site en hobby wielrenster. De afgelopen jaren was de staart van het peloton wel vaker haar plek, maar toch zet ze keer op keer door. Wij wilden wel eens weten waarom ze het in vredesnaam nog probeert en gingen met haar fietsen.

“Kijk! Nieuwe kleding, ik rijd dit jaar in het rood wit blauwe van DAK Plusine cycling team. De clubploeg waar ik bij reed vond dat mijn ontwikkeling niet snel genoeg ging, daarom rijd ik nu bij deze ploeg. En ik heb er hartstikke veel zin in!” Jeanine stapt uit haar autootje, het is een grijze Fiat Panda die ze speciaal kocht voor de wedstrijden. De auto rijdt zuinig, maar er past wel een racefiets in. De wedstrijden die Jeanine rijdt zijn niet op de lokale club, ze heeft bij koersen in het hele land aan de start gestaan. En in België ook.
“Ja dat starten is mijn probleem niet, maar de finish? Die pak ik niet altijd mee. Ik ben nu 26 jaar oud en ik denk niet dat ik ooit nog een toprenster ga worden. Ik word wel heel gelukkig van de wedstrijdjes die ik rijd. Ze bieden me een uitdaging en motiveren me om hard te trainen. Ik ben veel met mijn sport bezig en doe er veel voor, maar neem mezelf ook weer niet te serieus. Het gaat er voor mij toch echt om dat het leuk is om te doen. Fietsen is zo onvoorstelbaar goed voor me.”

Jeanine is in 2010 begonnen met fietsen. In die tijd was ze nog aan het herstellen van de eetstoornis die ze heeft gehad. En hoewel het wellicht vreemd klinkt om een meisje met een eetstoornis te laten fietsen is het voor Jeanine misschien wel het beste geweest wat ze ooit heeft gedaan. “Ik wilde het eigenlijk al heel lang proberen, want fietsen leek me gaaf om te doen. Ik volgde alle wielerwedstrijden en vond het echt een gave sport. Daarom heb ik een fiets gekocht, al had ik niet de illusie dat ik het ooit goed zou kunnen. Ik wilde vooral iets leuks voor mezelf doen. In de jaren ervoor lag mijn hele leven ondersteboven door mijn eetstoornis. Ik at in die periode maar 120 calorieën per dag. Die tijd was nog niet eens het ergste. De echte nachtmerrie begon toen ik vreetbuien kreeg. Ik verloor alle controle over mijn gewicht en daarmee mijn leven. Mijn leven bestond uit huilen en eten. Ik kon zo niet verder en ging naar een kliniek voor eetstoornissen.”

Opbouwen en uitwaaien
Voor de behandeling was Jeanine een wrak. Ze kon maar heel weinig aan. Als de trein niet op tijd reed barstte ze in huilen uit. Reed het ding helemaal niet? Dan ging ze naar huis en propte zichzelf vol met eten. “Ik kon niet meer omgaan met uitdagingen en tegenslagen, maar ook meevallers waren te veel voor me. Tijdens de behandeling heb ik veel geleerd en knapte ik op, maar het echte werk kwam erna pas.”
Iemand die voor een lange tijd zo ongelukkig en ziek is geweest, kan het in het begin nog moeilijk vinden om nieuwe uitdagingen aan te gaan. Vooral na een eetstoornis, want het leven van een eetstoornispatiënt draait om eten en afvallen. Al het andere doet er niet toe en hun wereld wordt heel klein. Als ze dan beginnen aan hun herstel kunnen dagelijkse dingen al immens groot en ingewikkeld lijken. Sporten kan dan een goede manier zijn om nieuwe risico’s te nemen. Vooral een sport die je leuk vindt. Dan leer je spelenderwijs opnieuw hoe je moet vallen en opstaan.
“Ik had nog maar een paar gesprekken bij Ursula – dat is een centrum voor eetstoornissen – toen ik mijn fiets kocht, het was een simpele van Marktplaats voor maar 250 euro. En op die fiets ging ik rondjes rijden. Mijn eerste rondjes waren rond de 30 km lang. Dat stelt voor een echte wielrenster niets voor, maar voor mij toen wel. Voor iedereen die net begint met fietsen. Het waren niet de kilometers die ertoe deden, maar juist de ervaring. Het was zo bevrijdend om op die fiets te zitten en rondjes te rijden. Ik kon iets opbouwen. Eindelijk weer, want in de jaren ervoor had ik zoveel afgebroken; mijn sociale relaties, mijn eigenwaarde en mijn lichaam. De fiets gaf juist weer een toekomstperspectief en de ruimte die ik mentaal ineens had was heel fijn.”

Inspiratie
Jeanine geniet als een dolle van haar nieuwe sport en gaat fietsen bij een toerclubje. Samen maken ze in het weekend rondjes en Jeanine, die nog maar net fietst, rijdt al snel op kop. Op het internet volgt ze de blog van Marijn de Vries – de journaliste die als experiment heeft geprobeerd profwielrenster te worden en daarin slaagde – en raakt al snel geïnspireerd. “Ik genoot echt van de stukjes van Marijn, door ze te lezen begon ik in te zien dat ik het ook wel mocht proberen. Ik dacht er niet aan om hetzelfde te doen als zij, maar wilde wel mijn rondjes wat groter maken en wat meer gaan fietsen.”

Wedstrijden
De fietsers uit het toerclubje zagen hoe snel Jeanine groeide als sporter en steeds vaker vertelden ze haar om eens mee te trainen met de licentiehouders. Dat kon wel, want lid was ze toch al. Het toerclubje was onderdeel van een wielerclub die uit twee delen bestaat: toerfietsers en wedstrijdrenners. “Dat was wel een volgende stap. Die kleine rondjes waren voor mij al een topprestatie. Ik voelde me de bomb en vond mezelf helemaal die hard. Ik merkte dat ik iedere keer heel vrolijk terugkwam van het fietsen. Ik wist dat ik een sport had gevonden die me lag. In de sportschool had ik dat nooit, daar ging ik echt niet heen voor mijn plezier. Van fietsen genoot ik, ik voelde de wind op mijn gezicht, maakte snelheid en was lekker buiten. Het was gewoon heel fijn, maar meefietsen met de licentiehouders? Daar had ik nog nooit echt over nagedacht.”
Jeanine pakt haar fiets en besluit te starten in een clubkoersje bij Swift, de wielerclub in Leiden. Daarna gaat ze voor de eerste keer mee trainen met echte wielrensters. “Ik had natuurlijk al wel kilometers gemaakt en ook wel in een groepje gefietst, maar dit waren wielrensters en dat is echt anders. Er wordt getraind en in zo’n groepje is veel meer samenwerking en iedereen reed in dezelfde kleding. Ik genoot er wel van. Ik vond hen inspirerend en wilde wel één van hen zijn. Die eerste training gaf me echt motivatie.”

Knokken
Om wedstrijden te kunnen rijden heb je niet veel nodig. Je hoeft alleen maar lid te zijn van een club en een licentie aan te vragen bij de KNWU. Bij de meeste wielerclubs zijn er wedstrijden voor trimmers, dat zijn fietsers die geen licentie hebben. Zij zijn wel lid van de KNWU, hun lidmaatschap heet een basislicentie. Daarmee heb je de voordelen dien elk ander KNWU-lid heeft. Zoals je verzekering en bepaalde kortingen op producten, maar je mag er niet mee starten in de echte wedstrijden. Jeanine neemt een elite-licentie, dat doen de meeste vrouwen die wedstrijden willen rijden. “Er zijn verschillende eliterensters. De elite met contract zijn net als de profs bij de mannen, alleen is er in tegenstelling tot het mannenwielrennen nauwelijks geld. Veel van deze vrouwen rijden op het hoogste niveau en hebben ernaast vaak nog een baan. Ik ben elite zonder contract en kan nu in clubwedstrijdjes goed uit de voeten.”
Jeanine is drie jaar bezig geweest om op haar huidige niveau te komen en nog kan ze in wedstrijden waar de profs aan de start staan niet altijd meekomen. Ze heeft de afgelopen drie jaar zo vaak moeten lossen dat het soms niet zo leuk meer was. Toch zet ze door, want ze weet dat je soms door een moeilijke tijd moet gaan en keihard moet knokken om verder te komen. “Ik word er fysiek en mentaal sterker van als ik doorzet. En soms roept het publiek wel dingen en dat is echt niet leuk, want ik ben daar wel mijn best aan het doen, maar ik trek dan niets van ze aan. Ik weet waarom ik daar rijd.”
Soms heeft Jeanine het wel moeilijk, want steeds maar lossen is moeilijk. Dan door blijven zetten is knap. Vooral als Jeanine zo nu en dan twijfelt aan zichzelf. Ze is net wat voller dan de gemiddelde renster en ook minder snel. In haar gedachten kan dat soms de overhand nemen. Moet ze niet meer afvallen? Eet ze wel goed? Hoe dik is ze nu eigenlijk? Wordt ze beter als ze dunner is? Deze vragen gieren soms door haar hoofd. Ze wordt ermee geconfronteerd dat ze niet zoals de ander rensters is. Zij kan niet zomaar afvallen, ze zal altijd op moeten letten en haar keuzes zorgvuldig moeten afwegen. Het is nog maar een paar jaar gelden dat ze behandeld werd voor haar eetstoornis. “Ik ben tegenwoordig een sportster. En zo zien mensen me ook, ze kijken naar mijn prestaties. Dat doe ik ook, maar ik ben naast dat ik wielrenster ben ook een meisje wat een eetstoornis heeft gehad. En drie jaar is dan nog niet zo’n lange tijd geleden, dat mag ik niet vergeten.”

De meeste mensen zullen een meisje met een eetstoornis afraden te gaan wielrennen. Die mensen weten niet altijd evenveel van haar ziekte af. En al helemaal niet van het herstel. Een eetstoornis is een rare ziekte. Zelfs al is een patiënt op gewicht en leeft ze gezond en eet normaal, hun gedachten kunnen zo af en toe alle kanten op gaan. Het is de kunst om dan niet naar die gedachten te luisteren en te gaan voor de dingen waarvan je weet dat ze goed voor je zijn. Natuurlijk kan Jeanine sporten, zo lang ze maar bewust is van haar keuzes en niet naar haar ziekte luistert. Op de fiets is ze als mens gegroeid en kon ze voor de eerste keer weer trots zijn op zichzelf. Haar kleine, kwetsbare eetstoorniswereld is per pedaalslag groter geworden. En Jeanine? Die kent weer vrijheid en plezier. “Wielrennen heeft me niet genezen, maar het heeft me wel geholpen. En mijn eetstoornis? Daar heb ik geen bal aan op de fiets, maar het heeft me wel gevormd tot wie ik nu ben. Ik kan me niet voorstellen hoe mijn leven was verlopen als ik gezond was gebleven, maar ik kan me ook geen leven zonder de fiets meer voorstellen, dat wil ik niet.”