Jeanine Laudy

LetterProfessor

INFO@JEANINELAUDY.NL

Mijn flair-verhaal

blogfotoIk had het al op Twitter gezet: ik sta deze week in de Flair. Met ‘mijn verhaal’. Rose (en dus niét Patricia de Ryck zoals in de Flair staat) heeft me daar al bijna een half jaar geleden voor geïnterviewd en heeft daar toen een heel mooi verhaal van gemaakt. De enthousiaste doorklikkers hebben wellicht al eens opgevangen dat ik ooit bij Centrum Eetstoornissen Ursula in behandeling ben geweest. Want daar gaat mijn verhaal over: de eetstoornis die ik van 2006 t/m 2010 heb gehad en hoe ik die ‘overwon’. Overwinnen tussen haakjes, want het zal altijd mijn zwakke plek zijn. Getuige ook de vele blogjes die gaan over mijn vetjes en wobbly bits. Aan de andere kant is dat ook weer bijzaak, want het gaat nu zo goed met me. Dan is het feit dat ik af en toe nog wat negatief over mijn lichaam denk niet zo erg meer.

En hoe cliché ook, maar ik heb dit verhaal toch ook in Flair gezet om eventuele andere meiden met een eetstoornis aan te sporen hulp te zoeken. Want hoewel het supereng is om de controle uit handen te geven is het leven zonder eetstoornis uiteindelijk toch echt een stuk leuker. Soms rijd ik op een trainingsrondje nog wel eens over het terrein van Ursula, en als ik dan die meiden zie met zulke dunne beentjes waardoor ze nauwelijks kunnen lopen, dan voel ik me zo gelukkig dat ik weer genoeg kracht in mijn benen heb om deze sport te kunnen doen. En dat gevoel gun ik iedereen.

“Mijn eerste studiejaar in Leiden was geweldig. Ik was een goede student. In mijn derde jaar volgde ik een semester in Canada, mijn pre-master deed ik in Utrecht en mijn master in Belfast. Ik had het zo naar mijn zin. Daarom vind ik het ook zo vreemd dat ik juist toen een eetstoornis heb ontwikkeld.
Mijn tweelingzus en ik waren altijd al wat steviger en van ons twee was ik altijd de volste. Tijdens mijn eerste studiejaar stond ik een keer in de lift en daar hing een spiegel. Ik keek erin en begon spontaan te janken. Ik wilde niet meer dik zijn. Ik was er klaar mee. Dat gevoel was zo sterk, het was een soort climax van jaren van stil verdriet. Als ik erop terugkijk was ik niet eens echt dik: ik was stevig. Maar zo zag ik dat toen niet. Toen ik een meisje ontmoette dat door beter op haar eten te letten was afgevallen, ben ik dat ook gaan doen. Ik telde calorieën en werd me bewust van het verschil tussen volle yoghurt en magere yoghurt. Een jaar later leefde ik op twee mandarijnen en een appel per dag.
Als je afvalt, krijg je positieve reacties. Mijn zus en ik werden voor het eerst wél uit elkaar gehouden. Ik was eindelijk dunner dan mijn zus en dacht: kijk nou eens wat ik heb bereikt, ik ben helemaal niet ‘de dikke’ van de twee. De gelijkenissen tussen ons vielen weg, ik was een eigen persoon. NIets kon mij meer gebeuren, niemand kon mij wat maken. Ik was in de zevende hemel, want ik was eindelijk dun.

flairSoms at ik maar 120 calorieën per dag. Daardoor had ik geen energie. Ik was inmiddels meer dan vijftien kilo lichter en sliep ‘s nachts niet meer door de honger. Mijn benen waren zo dun dat het pijn deed als ze in bed over elkaar lagen. Toch herkende ik nog steeds niet dat ik een eetstoornis had. Op een gegeven moment kreeg ik gigantische eetbuien erbij. Hele boodschappentassen vol eten at ik leeg. Tijdens zo’n eetbui was ik er niet, het leek net alsof ik overgenomen werd. Na de eetbui kwam ik terug, al duurde dat soms een week. En dan kwam de paniek. Ik had heel veel gegeten en het moest eruit, het moest weg. Die eetbuien kreeg ik steeds vaker. De controle over mijn gewicht en mijn leven raakte ik volledig kwijt. Ik woonde in een huis met achttien huisgenoten, maar was zo eenzaam. Een eetstoornispatiënt is ook heel goed in liegen en kan alles verklaren.
Door het gebrek aan energie werd alles me te veel. Reed de trein niet, dan barstte ik in tranen uit en ging naar huis. Waar ik ging eten. En huilen. En bleef huilen, om alles. Huilen en eten, dat is wat ik deed. Een paar jaar eerder was ik nog een feestende student die midden in het leven stond. Nu voelde ik me een nijlpaard. Door de eetbuien was ik dikker geworden en voor mij was vijftig kilo wegen al te veel. Waarom zou ik gaan feesten? Ik zag er geen reden voor.
Mijn moeder stelde voor dat ik eens langs een centrum voor eetstoornissen ging. Bij die kliniek moest ik een lange vragenlijst invullen. Langzaam drong het tot me door: ik had een eetstoornis! In eerste instantie was ik opgelucht. Ik had een stoornis en daar kon iets aan worden gedaan. Al gauw bleek dat ik niet intern hoefde, ik mocht gewoon naar huis. Door de eetbuien had ik geen gevaarlijk ondergewicht meer en daarmee was ik geen noodgeval. Maar dat ik er niet erg genoeg aan toe was om opgenomen te worden, voelde toch als falen. Ik was een nep-eetstoornispatiënt en vond mezelf een aansteller: er was me nooit iets ergs overkomen en toch had ik een eetstoornis. In wekelijkse gesprekken leerde ik te kijken naar wanneer de eetbuien kwamen en wat ik dan dacht. Ik ontdekte wat me dwars zat: onder andere dat ik altijd met mijn tweelingzus werd vergeleken!

Ik heb net mijn laatste gesprek bij de kliniek gehad. Ik ben nu klaar, de eetstoornis ligt achter me. En het gaat goed met me. Ik doe nu aan wielrennen. Ik ben nog niet zo goed, maar dat maakt me niet uit. Wielrensters zijn vaak best dun en ik ben dat niet. Dat zie ik ook wel, maar het heeft geen effect meer op hoe ik eet. Ik ben schrijver en heb inmiddels een eigen tekstbureau. Ik word voor opdrachten gevraagd omdat ik goed ben in wat ik doe. Niet omdat ik dun ben. Dat vind ik te gek en daar ben ik eigenlijk heel trots op.”