Jeanine Laudy

LetterProfessor

INFO@JEANINELAUDY.NL

Toekomst voor de elite- en profdames

Er zijn binnen het (Nederlandse) dameswielrennen twee stromingen of bewegingen gaande. Enerzijds vragen de profdames om een Tour de France voor vrouwen, anderzijds hoor ik steeds vaker om me heen de roep om een groter aantal aparte wedstrijden voor elite zonder contract. Zonder telkens samen met de profdames te hoeven starten. Bij de profcriteriums die na de Tour de France (voor mannen…) werden georganiseerd ontkom je er bijna niet aan, maar gedurende de rest van het jaar zou het best fijn zijn als er wat vaker een scheiding wordt aangebracht. Dat heb ik ook gepropageerd in mijn laatste column voor Wielersport. Maar hoewel deze bewegingen in eerste instantie misschien tegenstrijdig lijken (enerzijds professionalisering, anderzijds niveau-‘verlaging’) is dat niet zo. Beide ontwikkelingen zouden goed zijn voor het dameswielrennen. Een kleine toevoeging op de Wielersport-column.

Door de categorieën vaker te scheiden kunnen de profdames hiervan profiteren, doordat er meer media-aandacht wordt gegenereerd – ze rijden dan een profwedstrijd in plaats van ‘slechts’ een dameswedstrijd. Dit is niet alleen een goed reclamebord voor het dameswielrennen, maar het betekent ook dat er misschien wel een ander niveau prijzenschema aan vast te hangen is. Wellicht wel gelijk aan de profmannen? Het prijzenschema voor elites zonder contract zal hiermee waarschijnlijk wel omlaag gaan, maar deze ontwikeling wordt gecompenseerd door het feit dat je wel meer kans maakt op premies of een betere uitslag, met een betere financiële prestatie tot gevolg.
Het risico op valpartijen is in profkoersen minder doordat er geen beginnelingetjes met elite-licentie in het peloton zitten. De dames die in een dergelijke organisatie naar het profcircuit doorstromen hebben al meerdere jaren fietservaring en aangetoond echt iets te kunnen.

Je zorgt er op deze manier dus voor dat elitedames op hun eigen niveau de sport binnen kunnen stappen. Hoewel dat alsnog relatief is, omdat je bij de vrouwen eigenlijk maar één categorie hebt waarin je echt een vol koersprogramma kunt rijden, waar je er bij de mannen drie hebt (sportklasse, amateurs en elite zonder contract).
Komt er ooit definitief een scheiding (en zoiets ligt nog in het verre, vérre verschiet), dan mogen elitedames zonder contract dus geen grote klassiekers meer rijden. Financieel is dat gunstig voor de clubs, omdat die geen megabudgetten hoeven uit te geven om een damesgroepje tot ‘team’ te vormen, zodat ze in deze klassiekers toegelaten te worden. Wil een club toch bij de profs rijden, dan kan ik dat in de UCI X.2-koersen, net zoals dat bij de mannen het geval is. Op die manier kun je je wel meten met de profdames en eventueel doorstromen. Dit maakt de overstap van junior-dames naar de elite ook gemakkelijker. Tweedejaars junior-dames mogen soms al in elitekoersen starten, maar komen daarmee in de huidige organisatie soms dus al meteen terecht tussen de Nederlandse (of zelfs wereld-)top.

Een vaker toegepaste scheiding zorgt er dus enerzijds voor dat het dames-profpeloton de kans krijgt zich verder te professionaliseren en hetzelfde aanzien te krijgen als het mannenpeloton. Anderzijds geef je de elitedames, die het wielrennen als hobby doen en dit moeten combineren met werk of studie, de kans om gemakkelijker de aansluiting te vinden en op een gegeven moment mee te kunnen doen voor de overwinning. Ik hoop dat organisatoren en de KNWU zich iets van deze sentimenten aantrekken en een poging doen om (een deel van) onze wensen werkelijkheid te laten worden.

Fotografie: Haren-Haren

wielertaal kleinDeze blog kan ook gelezen worden op Wielertaal.nl.